Lopend onderzoek

Het twintigste-eeuwse fenomeen van de totale oorlog heeft tal van sporen nagelaten. Om het conflict te visualiseren, en zo ook bij te dragen aan het mobiliseren van het publiek, werden vanaf de eerste oorlogshandelingen in respectievelijk 1914 en 1939 op grote schaal beeldverhalen vervaardigd en gedistribueerd. De betrokken partijen gaven hierin hun visie op de gebeurtenissen weer, onderstreepten hun eigen motieven voor militaire inzet en demoniseerden in uiteenlopende mate de tegenstanders.  Ook in neutrale staten droegen combinaties van tekst en beeld bij aan het tot uiting brengen van de eigen positie en opvattingen. Tegen die achtergrond vervulden strips een belangrijke rol als propagandamiddel dat verstrooiing bracht.

Onderzoeker: Prof. dr. Kees Ribbens
Looptijd
Beoogde publicatie: Artikelen
Aanvullende informatiehttp://www.berghahnjournals.com/view/journals/eca/8/2/eca.8.issue-2.xml

Meer informatie: 

Na afloop van de beide wereldoorlogen bleven auteurs van stripverhalen teruggrijpen op gebeurtenissen en personen uit de oorlogsperiode. Ook naoorlogse generaties in diverse werelddelen werden op deze wijze vertrouwd gemaakt met feitelijke en minder waarheidsgetrouwe weergaven van het strijdverloop. Met name militaire gebeurtenissen  ter land, ter zee en in de lucht kregen veel aandacht. In meer recente decennia werd de aandacht van het publiek, bestaande uit zowel jeugdige als volwassen lezers, verbreed naar de lotgevallen van individuele vervolgingsslachtoffers en andere burgers.

In dit project wordt onderzocht hoe wereldoorlogen op populaire en eigentijdse wijze vertolkt worden in stripverhalen, met bijzondere aandacht voor de inkadering in de bredere historische cultuur. Daarbij wordt gekeken hoe veelal nationaal ingekaderde verhalen zich verhouden tot de transnationale consumptie van dergelijke producten.