Volgens L. de Jong zijn er tot september 1944 ongeveer 25.000 illegale werkers geweest die optraden in een vast organisatorisch verband. Niet meegeteld zijn individueel opererende verzetsmensen, onderduikers, huisvesters van onderduikers en overige niet bij een verzetsorganisatie aangesloten helpers van de illegaliteit. Vanaf september 1944 nam het aantal illegale werkers flink toe. Ten tijde van de bevrijding maakten circa 60.000 mensen benoorden de rivieren deel uit van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Niet al deze 60.000 leden hadden echter ook vóór de bevrijding werkelijk illegaal werk in engere zin verricht. De Jong schat het totaal aantal illegale werkers, zoals door hem gedefinieerd, tijdens de gehele bezettingstijd op circa 45.000. (L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10b (Den Haag 1981) pag. 744-746).