12 december 2018

“Ik zal sterven met een glimlach op mijn lippen.” Deze woorden sprak Boy Ecury tot zijn drie celgenoten in het SD-hoofdkwartier aan de Heemraadsingel te Rotterdam. Op dat moment wist de op Aruba geboren verzetsman nog niet dat hij de volgende ochtend met twee van zijn mede-gevangenen gefusilleerd zou worden. De vierde man overleefde de gevangenschap en herinnerde zich hoe zij die maandag  6 november werden weggevoerd: “Vroeg in de middag werden we met z’n vieren in een soort kleine, Duitse bestelauto gezet, met Duitsers bij ons achterin…Uit de gesprekken van de Duitsers bleek, dat wij naar de Waalsdorpervlakte moesten.”

Onthulling van het monument door gouverneur van Aruba L.H. Peters.

Het NIOD heeft het digitale archief van de familie Ecury in beheer gekregen van het Archivo Nacional Aruba. Dit in Oranjestad gevestigde nationale archief beschikt over de originele documenten, onder meer foto’s uit de oorlog, diploma’s die Boy Ecury in de eerste bezettingsjaren behaalde en correspondentie en krantenartikelen over zijn overlijden en teraardebestelling. Scans van deze documenten zijn vanaf nu te raadplegen via de NIOD-website.

Segundo Jorge Adelberto “Boy” Ecury werd op 22 april 1922 als zevende van dertien kinderen gebo­ren aan de Schelpstraat 42 in Oranjestad (Aruba). In 1937 vertrok hij naar Nederland om aan het St. Louis Instituut te Oudenbosch zijn handelsdiploma te behalen. Tijdens zijn opleiding leerde hij een jongen uit Curaçao kennen die voor apotheker studeerde. Via de brieven die zij elkaar schreven, pleegde hij zijn eerste verzetsdaden. Het briefpapier bevatte een portret van Willem van Oranje en in het Papiamento verwezen zij brutaal naar de bezetting. Zo luidde - in vertaling - een datering: “25 november van het tweede jaar dat die Smeerlappen hier zijn”.

Zijn eerste openlijke verzet pleegde Boy door het stelen van voedselbonnen. In februari 1944 sloot hij zich aan bij een verzetsgroep in Oisterwijk. Zeker twee keer was Boy erbij toen de ploeg Duitse vrachtwagens in brand stak met zelf gefabriceerde fosforbommen. Ook begeleidde hij op de fiets of per trein geallieerde piloten naar België. De ploeg brak zelfs in een NSB-kringhuis in om dekens te stelen, waarbij Boy de telefoondraden doorsneed. Uit de woning van een vooraanstaand NSB’er ontvreemdde hij pamfletten. Op 4 mei 1944 liet de groep van Boy een goederentrein ontsporen op het traject Boxtel -Tilburg. Kort daarop liep hij nietsvermoedend naar zijn schuiladres en zag hoe op dat moment de SD binnenviel. Net op tijd kon hij over een afrastering springen maar twee Duitse soldaten gingen hem achterna. Door een paar schoten af te vuren wist hij zijn achtervolgers af te schudden.

Voor Boy werd het te gevaarlijk in Oisterwijk en in de zomer van 1944 week hij uit naar Den Haag waar hij onderdook bij Tonny Brantenaar aan de Zuidoost Buitensingel 28. Volgens Brantenaar was Boy voortdurend op zijn hoede: “Hij was verschrikkelijk alert en erg preciezerig op bepaalde dingen: hij ging naar bed, dan ging zijn pistool uit zijn zak, ging onder zijn kussen […] hij had altijd een wapen bij zich. Hij nam het mee naar bed, hij had ’t in zijn zak, hij ging de deur niet uit zonder dat wapen…want er kon een moment komen dat hij het écht nodig zou hebben”. Als extra veiligheidsmaatregel begon Boy de schuilnaam Max Ernst te gebruiken, een verwijzing naar de achternaam van zijn moeder, Annie Ernst.

Al gauw zette hij zijn ondergrondse werkzaamheden voort bij een Haagse knokploeg die in oktober een ‘foute’ Rotterdamse politieagent had geliquideerd. Die maand werden veel Rotterdamse KP’ers gearresteerd en Boy dook onder aan de Mathenesserlaan 352a. Op 5 november woonde hij met Tonny Brantenaar de hoogmis bij in de nabijgelegen katholieke kerk. Op de terugweg liepen zij langs het SD-hoofdkwartier op de hoek met de Heemraadsingel. Boy werd herkend waarop een groep Duitsers naar buiten rende. Tonny Brantenaar herinnerde zich later dat zij hen “met geladen pistolen omringden, meesleepten naar binnen en fouilleerden - uiteraard met grote hardhandigheid”. Het gebeurde allemaal zo snel dat Boy geen gelegenheid kreeg om zijn pistool te gebruiken. Beide mannen werden in een bovenkamertje opgesloten en brachten daar met twee andere gevangenen de nacht door. De volgende ochtend veroordeelden vijf Duitse officieren het groepje tot de doodstraf, alleen de zaak tegen Tonny Brantenaar werd nog aangehouden om nadere informatie te verzamelen. ’s Middags reden ze naar Den Haag waar Boy met zijn twee mede-gevangenen op de Waalsdorpervlakte werd gefusilleerd.

Na de bevrijding werd hun graf teruggevonden; in maart 1947 werd het stoffelijk overschot van Boy Ecury naar Aruba overgebracht. Met militair eerbetoon werd hij op 25 april 1947 bijgezet op de katholieke begraafplaats van Oranjestad. Op 5 november 1949 werd ter nagedachtenis aan Boy Ecury een standbeeld onthuld aan het plantsoen bij de L.G. Smith Boule­vard te Oranjestad.
 

Tekst: René Pottkamp

Bronnen:

Schouten T., Boy Ecury: een Antilliaanse jongen in het verzet (Zutphen 2003)
Oosthoek A., Nieuw licht op liquidaties: knokploegen in Rotterdam 1944-1945 (Soesterberg 2015) blz. 95-105

Beelden van de aankomst van het stoffelijk overschot van Boy Ecury op Aruba.

Een overzicht van monumenten in de Antillen gewijd aan Boy Ecury.