Uitgelicht 1: Opsluiting in oorlogstijd

Samenwerking met de Duitse bezetter had vanaf 1940 een breed gedeelde afkeer van alle ‘landverraders’ ontketend. De Belgische en Nederlandse regeringen in ballingschap wilden een Bijltjesdag na de bevrijding vermijden. De internering van verdachten werd door hen daarom in Londen voorbereid, maar de praktijk bleek weerbarstig. Nederland was tijdens de bevrijding in september 1944 slechts gedeeltelijk bevrijd en dit compliceerde de terugkeer van de regering uit Londen. Zij kon onder de gegeven omstandigheden niet anders dan het arrestatie en opsluitingsbeleid overlaten aan het Militair Gezag, de tijdelijke militaire overheid in bevrijd Nederland. België werd in het najaar van 1944 wel integraal bevrijd en de Belgische regering kon onmiddellijk terugkeren en het opsluitingsbeleid zelf vormgeven. De Belgische regering zag zich echter geconfronteerd met enkele ernstige politieke uitdagingen. De regering wantrouwde de verschillende verzetsbewegingen die tijdens de bezetting het geweldsmonopolie van de staat hadden aangetast door collaborateurs gewelddadig te bestrijden. Daarbij waren deze verzetsgroepen, in tegenstelling tot de regering, populair onder de bevolking. Gevreesd werd dat zij na de oorlog de regering verder zouden ondermijnen, bijvoorbeeld wanneer zij een rol zouden spelen bij de arrestatie van collaborateurs. De Belgische regering weerde daarom de verzetsbewegingen bij de bestraffing. In Nederland lag dat anders. Het Militair Gezag, dat al snel tegen bemoeienis van voormalige Nederlandse verzetsbewegingen bij het oppakken van verdachten aanliep, besloot deze irreguliere troepen juist officieel in te schakelen bij het arresteren en opsluiten van collaborateurs.

Dat de praktijk van de interneringen weerbarstig was,  bleek niet alleen tijdens de arrestaties, maar ook bij de opsluitingen. De uitvoering van de gemaakte plannen werd in eerste instantie belemmerd door de aanslepende oorlog. Internering was in deze situatie vooral een veiligheidsmaatregel. De verdachten moesten immers niet enkel tegen gewelddadige acties vanuit de bevolking worden beschermd, maar ook wilden de regeringen voorkomen dat zij Duitsland zouden bijstaan in de oorlogsvoering. De militaire en ideologische strijd was tussen september 1944 en mei 1945 immers nog niet gestreden en aan beide kanten heerste nog onzekerheid over de uitkomst van de oorlog. Dat is ook terug te zien in de houding van collaborateurs in de kampen. Na hun opsluiting hing een deel het nationaalsocialisme nog steeds aan en de hoop op een Duitse overwinning bleef bij hen bestaan. Velen ervoeren hun opsluiting bovendien als onrechtvaardig. Dat versterkte hun afkeer van de Nederlandse of Belgische regering verder. Dit was vooral het geval bij de Vlaams-nationalisten. Al in het najaar van 1944 ontstond in hun milieu het beeld van Vlaamse martelaren van de Belgische repressie.

De opsluiting was niet alleen een veiligheidsmaatregel, maar was natuurlijk ook als straf bedoeld. De nog doorgaande oorlog drukte echter ook een zware stempel op het verloop van de bestraffing. In Nederland belemmerde de gedeelde bevrijding dat de rechtbanken hun werk konden doen. Gevangenen wisten hierdoor niet waar ze aan toe waren en zaten lange tijd in een kamp zonder dat hun zaak in behandeling was. In België trad het militair gerecht wel onmiddellijk na de bevrijding in werking; einde september 1944 werd al de eerste rechtszaak gevoerd. Deze snelle bestraffing bracht wel met zich mee dat de straffen in het begin hoog waren. De oorlog was immers nog bezig en als gevolg daarvan was het klimaat streng.

Arrestatie van verdachten van collaboratie in het Belgische Peer door leden van een verzetsbeweging, september 1944.
Een gearresteerde vrouw in Friesland wordt gedwongen een foto van Hermann Goering om haar nek te dragen.