Uitgelicht 2: Collectieve uitsluiting na de bevrijding

In mei 1945 capituleerde Duitsland en kwam de Tweede Wereldoorlog in Europa definitief tot een einde. Ook Nederland werd nu, na een zwaar laatste bezettingsjaar, in zijn geheel bevrijd. De collaborateurs vormden op het moment dat het nationaalsocialisme definitief was verslagen, geen bedreiging meer. Toch werden in beide landen in korte tijd nog eens tienduizenden verdachten opgepakt. Het idee dat deze mensen ‘uit de samenleving’ moesten verdwijnen, bleef dominant. De kampen raakten overvol en al snel ontstonden problemen, zoals honger en tekort aan materiaal. De regeringen lieten deze problemen niet zomaar op hun beloop, maar probeerden er grip op te krijgen. De Nederlandse regering had daar meer moeite mee. Hier duurde de periode van improvisatie veel langer dan in België, omdat een landelijke, gecentraliseerde aanpak ontbrak. De diverse gerechtelijke instanties vielen weliswaar onder de hoede van het Militair Gezag, maar werden niet eenhoofdig geleid. Dat was anders in België, waar de regie in handen was van auditeur-generaal Ganshof van der Meersch.

In Nederland voerden de voormalige verzetsleden de zuivering grotendeels naar eigen inzichten uit en de kampen onttrokken zich aan de controlerende macht van justitie. In sommige kampen werden geïnterneerden gewelddadig behandeld. De lokale omstandigheden, de heersende ideeën over ‘goed’ en ‘fout’, en de interactie tussen gevangenen en bewakers bepaalden de mate van geweld. Dit geweld maakt duidelijk dat Nederland in deze periode nog geen gestabiliseerde liberale, democratische rechtstaat was. In België ging de reconstructie op gerechtelijk, economisch en politiek vlak sneller. De omstandigheden in de kampen daar waren dan ook aanzienlijk minder problematisch en door de sterkere greep van de regering vond er nauwelijks geweld plaats.

Het interneringskamp De Levantkade in Amsterdam, zomer 1945.