Uitgelicht 3: De ‘heropvoeding’ in de kampen

In de zomer van 1945 drong in beide landen het idee door dat er iets met mensen in de overvolle kampen moest gebeuren. Hiertoe werden al in een vroeg stadium besluiten genomen die het mogelijk maakten grote groepen gevangenen voorwaardelijk vrij te laten. Deze voorwaarden voor vrijlating hadden echter verstrekkende gevolgen: grote groepen collaborateurs konden begin 1946 weliswaar ‘terugkeren in de samenleving’, maar bleven vooralsnog uitgesloten van het volwaardig burgerschap. Het deel van de collaborateurs dat achterbleef in de kampen, moest in de ogen van de Belgische en Nederlandse regeringen worden ‘heropgevoed’ om weer volwaardig democratisch staatsburger te worden.

In de visie op collaboratie van zowel de Nederlandse als Belgische heropvoeders klonk het idee door dat verreweg de meeste collaborateurs  slachtoffer van hun tijd waren geweest. Samenwerken met de bezetter was niet altijd een rationele overweging geweest. In België werd collaboratie vooral als een politiek en staatsburgerlijk probleem gezien. Collaboratie was voorgekomen omdat de Belgische staat zijn burgers niet goed had opgevoed. In Nederland was de invulling van de ‘heropvoeding’ na 1945 veel minder patriottisch. De nadruk lag hier veel meer op de sociale context: mensen hadden geen weerstand kunnen bieden aan ‘fout’ gedrag vanwege sociale en economische factoren.

Bij heropvoeding waren juristen, geestelijken en psychologen betrokken. Ze organiseerden lezingen en filmvertoningen en gingen in gesprek met voormalige collaborateurs om hen te laten inzien dat ze 'fout' waren geweest. Gevangenen werden aangespoord tot actief, democratisch burgerschap door hen medeverantwoordelijk te maken voor de organisatie van het kampleven.

De invulling van de ‘heropvoeding’ laat zien waar de prioriteiten lagen en welke uitdagingen de collaboratie aan de staat had gesteld. In België was de heropvoeding georiënteerd op het staatsburgerschap als gevolg van het bestaan van een anti-Belgisch nationalisme. De collaborateur moest binnen de eenheid van de Belgische natiestaat herintegreren. In Nederland was de resocialisatiepolitiek qua conceptie van burgerschap minder eenduidig. De nadruk lag minder op het politieke en meer op het sociale en morele vlak. In zowel België als Nederland kon de voormalige collaborateur in de ogen van de heropvoeders worden “vergeven” en zich weer verzoenen met de natie. Hiervoor moest hij zijn fouten erkennen en tot “inkeer en zelfreflectie” komen. De voormalige collaborateurs moesten vooral met daden aantonen weer volwaardig lid van de maatschappij te zijn.

Tekening door gedetineerde in Sint-Gillis, getiteld ‘Klas der wederopvoeding’, januari 1947.