Het volgende stuk is verschenen in NRC Handelsblad naar aanleiding van de lezing gegeven door Arseni Roginski op 7 november.

Door Arseni Roginski

Rusland heeft in de 20ste eeuw een nationale ramp doorstaan, die 70 jaar heeft geduurd. Zelfs als je je beperkt tot de terreur van 1918 tot 1953 dan is dat nog altijd drie keer zo lang als de heerschappij van het nationaal-socialisme in Duitsland.

Tientallen miljoenen mensen zijn door de Goelag gespoeld. Alleen al op (verzonnen) politieke beschuldigingen zijn ongeveer 5 miljoen mensen gearresteerd; meer dan een miljoen is geëxecuteerd, de rest naar kampen gestuurd. Meer dan 6 miljoen belandden in dwangarbeidersdorpen. Meer dan 6 miljoen boeren kwamen om bij de kunstmatig gecreëerde hongersnood van 1932/33. Het is moeilijk te zeggen wat destructiever is geweest voor het nationale zelfbewustzijn: de massale repressie van hele bevolkingsgroepen of de dagelijkse ‘vangst’ van losse individuen.

De terreur heeft een onuitwisbaar spoor getrokken in ons leven. Het belangrijkste is de angst van de nietige mens tegenover het almachtige staatsapparaat. Eén ding weten wij Russen heel zeker: de overheid kan met jou doen wat haar goeddunkt. Een ander gevolg is de atomisering van de samenleving: het isolement, het wantrouwen, de uitroeiing van elk gevoel van solidariteit. De totale verstatelijking van de samenleving was een van de belangrijkste doelen van Stalins social engineering. Dan is er de xenofobie en de afwijzing van alles wat afwijkt van de norm. De officiële hypocrisie leidde tot cynisme en relativering van morele waarden.

In de jaren 60 en 70 hoopten wij dat er een collectief geheugen zou ontstaan, zodra er openlijk over de terreur mocht worden gesproken. Tijdens de perestrojka publiceerden de media duizenden memoires van slachtoffers. Maar tot analyses kwam het niet. Men kwam niet verder dan de verbijsterde vraag: waarom? 

De verwerking van het verleden is veel moeilijker gebleken dan we dachten. De oorzaken liggen in de stereotypen in ons bewustzijn, maar ook in het officiële overheidsbeleid ten opzichte van de geschiedenis, gevormd in het begin van deze eeuw.

Er is consensus dat de slachtoffers herdacht moeten worden. Maar over de daders bestaat geen enkele consensus.  Om te begrijpen wie die daders zijn, heeft de Rus geen enkel houvast. Er is geen enkel juridisch document waarin de staatsterreur een misdaad wordt genoemd, geen enkel betrouwbaar vonnis van de organisatoren of actieve deelnemers. Ook in het postcommunistische Rusland is er geen enkel proces geweest tegen onderzoeksrechters, kampleiders of partijfunctionarissen. Het is voor ons dus niet zo makkelijk slachtoffers te onderscheiden van beulen.

Het simpelste is om de terreur te reconstrueren rondom de begrippen ‘wij’ en ‘de anderen’. Wij zijn slachtoffer, de anderen zijn de beulen. Zo lossen de vroegere sovjet-republieken het probleem op. ‘Zij’ (de Russen) hebben ons veroverd, bezet en verkracht. ‘Wij’ waren de slachtoffers, maar we hebben ons altijd verzet en in 1991 onze vrijheid teruggekregen. Maar wij, burgers van Rusland, kunnen niet zeggen dat een vreemde mogendheid ons heeft bezet. Wij hebben onze eigen mensen gedood. Dat is moeilijk te accepteren.

Het allermoeilijkste ligt dat bij de oorlog. Wij hebben enorme verliezen geleden, het absolute Kwaad overwonnen, andere volkeren de vrijheid gebracht. Dat is onze grootste trots en de basis van onze identiteit. Nu maakt men ons wijs dat onze staat misdadig was. Wat zijn wij nu: erfgenamen van overwinnaars of van een misdadig regime? Als de staatsterreur een misdaad was, wie is dan de dader? Stalin? Maar de USSR heeft de oorlog gewonnen onder leiding van Stalin! Die twee visies op het verleden kunnen niet samengaan. Dus moet er één wijken en dat gebeurt: de herinnering aan de terreur vervaagt.

Poetin kwam aan de macht op een golf van afkeer van de perestrojka. Snel zijn democratie en burgerlijke vrijheden ingeperkt. Dat valt niet uitsluitend op zijn conto te schrijven: het komt door de degradatie van de Russische democratie en werd toegejuicht door een groot deel van de bevolking.

De inperking van vrijheid vereiste een rehabilitatie van het sovjet-verleden. De overheid herschept het verleden dat haar van pas komt. In 2000 werd de sovjet-hymne, met aangepaste tekst, in ere hersteld. Er wordt eindeloos gedebatteerd over één geschiedenisboek voor scholen, bedoeld om kinderen op te voeden ‘in de geest van patriottisme en optimisme’. Poetin noemde de ineenstorting van de Sovjet-Unie ‘de grootste geopolitieke catastrofe van de 20ste eeuw’. Allemaal formules voor de constructie van een nationaal geheugen.
In 2005 werd triomfantelijker dan ooit het 60-jarige jubileum van de Overwinning gevierd. Geen woord over de fouten van de overheid, die leidden tot de catastrofale nederlagen van 1941 en 1942, de krankzinnige militaire verliezen, de miljoenen Russische krijgsgevangenen. De tragische herinnering aan de oorlog werd gereduceerd tot één gelukzalige Dag van de Overwinning. ‘Rusland is het land van de grote overwinningen’, dat is de formule van Poetins historiografische beleid. Maar hoe valt dat te rijmen met de herinnering aan de terreur?

In Rusland bestaan geen nationaal monument voor de slachtoffers en geen nationaal herdenkingsmuseum. Nooit wordt op herdenkingsborden voor ereburgers vermeld dat zij omkwamen in sovjet-kampen. Sinds vorige week is er in Moskou één uitzondering: aan een gevel verscheen een bord voor de schrijver Varlam Sjalamov, waarop staat dat hij ‘hier woonde tussen de arrestaties in’.

In 1991 werd 30 oktober bestempeld tot herdenkingsdag voor de slachtoffers van de terreur. Daar komen veel mensen op af, maar geen enkele regionale of nationale leider komt erheen om zijn oordeel te geven over het verleden. Lang niet alle massagraven zijn blootgelegd. Duizenden kampkerkhoven zijn niet gelokaliseerd. Veel nabestaanden weten niet waar hun familie ligt. De financiële compensatie van kampslachtoffers is schokkend: zij krijgen 75 roebel (minder dan 2 euro) voor elke maand dat ze vastgezeten hebben. Wie 5 jaar Kolyma ternauwernood heeft overleefd krijgt 120 euro.

In de schoolboeken wordt de terreur opgevoerd als een noodzakelijk instrument voor de verwezenlijking van staatsdoeleinden of als een ‘exces’ van de modernisering. Dit laat wel ruimte voor medelijden met de slachtoffers, maar zet geen vraagtekens bij de verantwoordelijkheid voor deze misdaad. Het regime is boven elke juridische of morele kritiek verheven. Het is dan ook geen wonder dat Stalin is uitgeroepen tot de uitmuntendste mens uit de Russische geschiedenis. Poetin was er niet blij mee. Maar het is zijn geschiedenispolitiek die dit heeft veroorzaakt.

Historicus Arseni Roginski (1946) is wetenschappelijk directeur van Memorial, de in 1988 door Andrej Sacharov opgerichte mensenrechtenorganisatie die archieven over de terreur verzamelt. Memorial heeft een proces aangespannen tegen de wet die ngo’s verplicht zichzelf als ‘buitenlands agent’ te afficheren als zij donaties uit het buitenland ontvangen. Roginski’s vader kwam om in een kamp. Zelf zat hij 4 jaar vast omdat hij in gesloten archieven had gesnuffeld.

Arseni Roginski