Het Nederlandse episcopaat protesteert

Der vordering van de kerkklokken bracht veel onrust teweeg in rooms-katholiek Nederland. Het Episcopaat protesteerde hevig bij Rijkscommissaris Seyss-Inquart en gaf aan de geestelijkheid de instructie er alles aan te doen dat de kerkklokken op hun plaats bleven. Er was echter een belangrijke kanttekening. In een rondschrijven van aartsbisschop mrg. J. de Jong van 21 augustus 1942 stond geschreven ‘mocht onverhoopt met dwang worden opgetreden, dan zal men voor de overmacht moeten zwichten’.

In het boek Het verzet van de Nederlandsche Bisschoppen tegen nationaal-socialisme en Duitsche tirannie uit 1945 wordt de houding van de rooms-katholieke kerk tegen de klokkenroof door mag. Dr. S. Stokman als volgt beschreven:

‘De metaalverordening van den Rijkscommissaris van 21 Juli 1942, n. 79, schiep de verplichting metalen voorwerpen aan te geven en de bevoegdheid deze “ten gunste van het Rijk”(sic!) te confisqueren. Onder deze metalen voorwerpen vielen ook de kerkklokken, waaruit de volksmond concludeerde: “klokken uit de toren, oorlog verloren!”.

Daar de kerkklokken gewijde voorwerpen zijn, bestemd voor den eredienst, deelde de Aartsbisschop namens het Episcopaat mede, dat medewerking aan de uitvoering der metaalverordening voor wat de kerkklokken betreft op grond van gewetensbezwaren onmogelijk was, en dat de Bisschoppen bijgevolg aan de geestelijken verboden hadden de klokken aan te geven en in te leveren. Slechts indien met dwang zou worden opgetreden – aldus de Aartsbisschop in de circulaire aan de geestelijkheid van 21 Augustus 1942 – kon men zwichten voor de overmacht en de klokken laten weghalen zonder weerstand te bieden.

Wie nog gemeend mocht hebben, dat het met de uitvoering van deze maatregel zo’n vaart niet zou lopen, heeft zich deerlijk vergist. Seyss-Inquart beschouwde blijkens zijn rede op 11 October 1942 het weghalen der klokken als een vanzelfsprekende zaak. In tijden van voorspoed worden schatten en sieraden in de kerken geplaatst; in tijden van oorlog worden zij eruit gehaald ter wille van het vaderland. “Wanneer thans van enigerlei zijde, zij het ook een geestelijke, tot mij de vraag gericht wordt, hoe ik dat kan doen (aldus Seyss-Inquart), dan zou ik hem hier willen antwoorden: Mijnheer, ik verwonder mij zeer, dat gij niet vrijwillig gekomen zijt om den Duitschen soldaat dit koper aan te bieden, opdat hij het bolsjewisme van Uw grenzen zal afhouden.”.

Een aannemer uit Heerlen heeft er zich voor geleend dit droevig schouwspel te vertonen. Tegenstand bieden had geen schijn van succes; slechts heeft de Aartsbisschop alle kerkbesturen gelast een nauwkeurig protocol op te maken van deze klokkenroof.

Later werden weer een aantal kleinere klokken vrij gegeven om deze voor alarmdoeleinden op te hangen in dichtbevolkte wooncentra. Verschillende Pastoors kregen zo’n alarmklok aangeboden, maar velen hunner weigerden die te accepteren, daar zij geen gestolen goed in hun toren wilden ophangen. Met alle respect voor deze redenering, heeft de Aartsbisschop niettemin aan de geestelijkheid meegedeeld, dat zij in casu andermans goed met een gerust geweten “in bewaring konden nemen”, om dit later weer aan de rechtmatige eigenaars terug te geven.

Een beschikking van de Rijkscommissaris van 1 September 1943 verplichtte de hotels, café’s, restaurants en andere logies gelegenheden een aantal met name genoemde metalen voorwerpen aan te geven; de bedrijfsgroep Horeca werd met de uitvoering daarvan belast. Daar hierbij ook aan vele kerkelijke instellingen aangifte-biljetten werden toegezonden, verbood de Aartsbisschop alle betrokkenen de gevraagde opgaven te verstrekken.

Nog meer bedenkelijk dan de zojuist genoemde beschikking van den Rijkscommissaris was het besluit van de Secretaris-Generaal van Landbouw en Visserij in de Nederlandse Staatscourant van 27 October 1942, waarbij bepaald werd, dat alle rechtspersonen (ook kerkelijke), die land in eigendom bezaten, dat gebruikt werd of geschikt was voor landbouw, deze terreinen voor 1 December 1942 moesten opgeven aan de Directie van den Landbouw.

Dit besluit gaf aanleiding tot vele vragen. Was het de bedoeling enkel een statistisch overzicht te krijgen van de aanwezige landerijen? Wilde men de leuze: boerenland in boerenhand gaan verwezenlijken en de landerijen dus gaan onteigenen?

Hangende deze kwesties liet de Aartsbisschop op 23 November 1942 aan de betrokkenen weten, dat zij voorlopig geen opgaven moesten inzenden. Inmiddels richtte de Aartsbisschop namens het Episcopaat op 23 November 1942 een schrijven aan de Secretaris-Generaal van Landbouw en Visserij: Dr. H.M. Hirschfeld, waarin hem werd medegedeeld, dat de gevraagde opgave van landerijen door kerkelijke rechtspersonen alleen dan zou kunnen geschieden, indien hij de verzekering kon geven, dat de eigendommen van kerkelijke instellingen buiten den eventuele regeling tot onteigening gehouden werden, althans dat men daartoe niet zou overgaan zonder overleg met de kerkelijke autoriteiten. Een eigenmachtige onteigening door de Staat was immers – ook indien schadeloosstelling gegeven werd – in strijd met de rechten der Kerk, die als volmaakte en souvereine maatschappij eigendommen kon verwerven en beheren, zonder daarin door de Staat gehinderd of beperkt te worden.

Eerst op 18 Maart 1943 gaf Dr. Hirschfeld antwoord hierop in een per koerier bezorgde brief aan de Aartsbisschop. Vertrouwelijk deelde hij mede, dat de Duitse autoriteiten oorspronkelijk de bedoeling hadden om bepaalde gedeelten van landbouwgronden, toebehorend aan rechtspersonen, in eigendom over te dragen aan “landgebruikers” – aan boeren dus. Met name zou dit dan het geval zijn met landerijen, die voor de eigenaar slechts een beleggingsobject vormden. Ten gevolge van zijn interventie was echter bereikt, dat hiertoe strekkende verordening “naar alle waarschijnlijkheid” niet kon worden uitgevaardigd. Het besluit van 27 October 1943 kon niet worden ingetrokken, maar had in feite zijn betekenis verloren. De Secretaris-Generaal liet het dan ook geheel aan de vrije beschikking der Bisschoppen over, of zij de opgave der landerijen alsnog zouden laten doorgaan of niet.

Om geen risico te nemen hebben de Bisschoppen de opgaven achterwege gelaten. Niemand wist of de Duitse autoriteiten vroeg of laat toch niet tot onteigening zouden overgaan en daaronder ook kerkelijke goederen zouden begrijpen. En dit temeer, omdat ten aanzien van dit laatste ook het schrijven van Dr. Hirschfeld geen afdoende waarborgen gegeven had'.

 

De Aartsbisschop aan den Rijkscommissaris
18 augustus 1942
 

Namens het Hoogwaardig Episcopaat hebben Wij de eer Uwe Excellentie mee te delen, dat Wij gewetensbezwaren hebben, dat medewerking verleend wordt aan de uitvoering van Uwe Verordening No. 79/42, bekend onder de naam “Metaalverordening” van 21 Juli j.l., althans voor zover het betreft de kerkklokken, zijnde gewijde voorwerpen, bestemd voor de kerkelijke eredienst.

Wij hebben derhalve de Ons onderhorige geestelijken en rekenplichtige besturen verboden de kerkklokken aan te geven en in te leveren.

 

Circulaire van den Aartsbisschop aan de Pastoors van het Aartsbisdom
21 augustus 1942
 

Het is een gewetensplicht geen medewerking te verlenen aan de uitvoering van Verordening 79/42, bekend onder de naam “Metaalverordening” van 21 Juli j.l., althans voorzover het betreft de kerkklokken, zijnde gewijde voorwerpen, bestemd voor de eredienst.

Daarom mogen de kerkklokken niet worden aangegeven of ingeleverd. Mocht echter onverhoopt met dwang worden opgetreden, dan zal men voor de overmacht moeten zwichten en de klokken laten wegnemen zonder verder weerstand te bieden.

Wij verzoeken u hiervan mededeling te doen aan alle betrokkenen in uw parochie, die over kerkklokken beschikken, zoals b.v. de Oversten van kloosters, de Besturen van de Gestichten enz., gelegen binnen de grenzen van uw parochie.

Het Nederlandse episcopaat in de oorlogsjaren. In het midden kardinaal J. de Jong