Klokken uit de toren, oorlog verloren

Ten behoeve van de Duitse oorlogsindustrie vorderden de Duitsers veel goederen en producten uit de bezette landen. Nederland werd grondiger leeggeplunderd dan andere landen in een vergelijkbare positie. Met het oog op de wapenindustrie hadden de Duitsers vooral veel belangstelling voor metalen voorwerpen variërend van melkbussen tot complete inventarissen van fabrieken. Tot grote woede van kerkelijk Nederland werden tussen oktober 1942 en september 1943 zelfs de klokken uit kerktorens gehaald om te worden omgesmolten. De klokken waren zo geliefd bij de bezetter, omdat de legering van het metaal, die voor tachtig procent bestaat uit koper en voor twintig procent uit tin, dezelfde samenstelling heeft als die waarvan kanonnen worden gegoten. De voorraden van deze grondstoffen waren voor een groot deel in handen van de geallieerden, waardoor de productie van de Duitse oorlogsindustrie in gevaar dreigde te komen.

Voor de Nederlandse overheid kwam de klokkenvordering tijdens de jaren van bezetting niet als een complete verrassing. Toen het in de jaren dertig steeds duidelijker werd dat een Duitse overheersing in de nabije toekomst tot de mogelijkheden behoorde, werd in de verdedigingsvoorbereidingen aandacht besteed aan de bescherming van de kerkklokken. In het verleden was immers meermalen gebleken dat klokken voor oorlogvoerende machten een geliefde buit vormden. Onder leiding van de Rijksinspecteur voor Bescherming van Schatten van Kunst en Wetenschap (IK), dr. J. Kalf, was er in 1939-1940 een inventarisatie van alle klokken in Nederland gemaakt. Bovendien waren alle klokken en carillons van kerkhistorische, oudheidkundige of artistieke waarde, gemerkt met een M (Monument). Men hoopte dat deze bij een klokkenvordering gespaard zouden blijven.

Dat de angst voor een klokkenvordering niet ongegrond was, bleek toen in het bezette Tsjecho-Slowakije al in 1940 de eerste klokken voor omsmelting naar de Duitse havenstad Hamburg werden verscheept. Ook in Nederland werd dat jaar een begin gemaakt met metaalvordering. In juni 1941 werd verordend dat iedere burger zijn voorwerpen die gedeeltelijk uit koper, nikkel, tin, lood of legeringen daarvan bestonden, diende in te leveren. Op onttrekking stond een sanctie van een boete en/of een gevangenisstraf tot vijf jaar.

In het najaar van 1942 waren de kerkklokken aan de beurt en werd er begonnen met het demonteren van de klokken uit de torens. Om deze enorme klus te klaren was de in Heerlen en Venlo gevestigde aannemersfirma P.J. Meulenberg ingeschakeld. Binnen een jaar takelden Meulenberg en zijn medewerkers circa 6700 klokken naar beneden, die naar 24 opslagplaatsen in het gehele land werden gebracht. In principe bleven hierbij de M-klokken en de beschermde carillons gespaard. Bovendien behield iedere gemeente één klok, die voortaan bij luchtgevaar ienst moest doen als alarmklok.

Over het algemeen werd door de Nederlandse bevolking gelaten toegekeken hoe de klokken uit de torens verdwenen. Het was voor velen het bewijs dat de Duitsers de oorlog aan het verliezen waren. Als een simpele klok al moest bijdragen aan de Duitse eindoverwinning, dan moest de nood wel hoog zijn in Berlijn. In de volksmond was veelvuldig te horen: ‘Klokken uit de toren, oorlog verloren.’ Maar er was ook sprake van verzet tegen de Duitse vorderingen. Zo werden in Venray, Mierlo, Horst en Deurnede kabels die voor het omlaag takelen van de klokken nodig waren, doorgesneden en werden vervolgens onbruikbaar gemaakt. Ook zijn sommige klokken ‘ondergedoken’ geweest. Dit gebeurde bijvoorbeeld met het Hemonycarillon van Middelstum en het carillon van Zaltbommel. Bekend is eveneens het verhaal van de klokken in Epe. Op deze klokken, die enige tijd door enkele burgers ontvreemd waren, stond, toen ze onder bedreiging teruggebracht werden, geschreven: ‘Hij die met klokken schiet, die wint de oorlog niet.’

Om de stilte in de dorpen en steden te verdrijven en als alternatief voor slagklokken, die de juiste tijd aangaven, werden er talrijke alternatieven bedacht. Zo werden bijvoorbeeld in de torens ter compensatie gietijzeren kookpotten en oude stoomketels gehangen. Het geluid van een in Slikkerveen opgehangen as van een spoorwagen, was zelfs zo helder dat de Duitsers enige tijd gedacht hebben dat er nog een echte klok in de toren hing.

Vanuit de Nederlandse opslagplaatsen werden de klokken per trein of per boot naar Hamburg getransporteerd, waar ze zouden worden omgesmolten. Deze transporten, die tussen maart 1943 en maart 1944 plaatsvonden, verliepen niet zo voortvarend als gepland. Dit had tot gevolg dat in september 1944 slechts 55 procent van de gevorderde klokken daadwerkelijk was afgevoerd. Hoeveel klokken er uiteindelijk verdwenen zijn in de Duitse oorlogsmachine is niet precies bekend. Ook ging een onbekend aantal klokken verloren bij geallieerde luchtaanvallen en bevrijdingsoperaties.
 

In 1946 rapporteerde de adjunct-inspecteur Kunstbescherming J.W. Jansen in een rapport dat van de ongeveer 9000 klokken, er circa 4212 klokken gespaard waren gebleven.

Na de oorlog brak een spannende tijd aan voor veel gemeenten, toen bleek dat hier en daar nog klokken teruggevonden werden. Dit waren echter uitzonderingen. De vraag naar nieuwe luidklokken na de oorlog was enorm. Hoewel de bestellingen vertraagd werden door de grote drukte en het gebrek aan grondstoffen, waren echter binnen circa tien jaar alle geroofde klokken vervangen door goede, nieuwe exemplaren.

Door Petra Links en René Kok