6 juni 2019

“Eindelijk 6 Juni is de invasie begonnen!
In de ochtenduren van 6 juni zijn Engelse en
Amerikaanse troepen geland tusschen Le Hâvre en
Cherbourg. En in Calais en Duinkerken.
Er waren 4000 landingsvaartuigen en
bij de geheele operatie 11.000 vliegtuigen
betrokken. De tegenstand was hevig, doch
veel geringer, dan men had verwacht.”

Met deze opgetogen woorden begroette een Amstelveense onderwijzeres de eerste berichten over de geallieerde aanval op bezet Europa. Haar informatie had ze gebaseerd op verhalen die de ronde deden na radio-uitzendingen van de BBC.

”hier merken we er voorlopig niets van”
Meteen op de dag van de invasie, dinsdag 6 juni 1944, schreef menig dagboekauteur al over de landingen op de stranden van Normandië. Een werknemer van Philips in Eindhoven noteerde verheugd op 6 juni: “Eindelijk de zo lang verwachte invasie!!! De kranten staan vol met beschrijvingen van de aanvallen met parachutisten, aanvoer met duizenden schepen, zweefvliegtuigen van 60 meter vleugelwijdte, verschrikkelijke bloedbaden.” Maar, sloot hij sloot hij zijn verslag nuchter af, ”hier merken we er voorlopig niets van.”

Een vrouw uit het Limburgse Haelen vertelde het nieuws van de invasie aan de geallieerde vliegers die bij haar waren ondergedoken: “Toen ik het de piloten vertelde, zeiden ze, "this is the first good news we heard in a long time." Anderen hielden zich die dag in het geheel niet bezig met het nieuwe oorlogsfront. Voor een tekstschrijver uit Amsterdam was 6 juni een “pest-dag. Niets als kleine ergernisjes.” Juist die dag had hij flinke kritiek gekregen op zijn artikelen en schrijfstijl.

Enkele dagen later schreef de onderwijzeres uit Amstelveen: “De invasie is nog steeds in vollen gang, niettegenstaande het bar slecht weer is. Regen, kou en wind […]. 't Zal er anders een hel zijn en er gaan ongetwijfeld ontzettend veel menschenlevens verloren […]. Ik ben erg benieuwd naar de volgende gebeurtenissen. Je mist nu wel heel erg de radio!”

Sinds het voorjaar van 1943 had vrijwel iedereen zijn radio moeten inleveren. Voor nieuwsvoorziening was men aangewezen op de clandestiene pers of geruchten. De nationaal-socialistische en gelijkgeschakelde kranten publiceerden immers alleen door de Duitsers goedgekeurde berichten waardoor de officiële berichtgeving op zijn minst gekleurd en in veel gevallen puur propagandistisch van aard was. Zo kon het dat een NSB’er uit de omgeving van Zutphen op 6 juni noteerde: “Vlootstrijdkrachten der D. marine leverden voor de kust strijd met de vijandelijke landingsschepen,” er trots aan toevoegend “de D. luchtverdediging ging onmiddellijk tot den aanval over.” In werkelijkheid voer slechts een handvol motortorpedoboten uit en vlogen twee Duitse jagers over het invasiestrand.

“2-1 voor Duitsland”
Gesouffleerd door de persbureaus uit Berlijn gaven kranten als De Telegraaf, Het Nationale Dagblad en Volk en Vaderland een rooskleurig beeld van de Duitse tegenstand. Landelijk dagblad De Telegraaf ontleende zijn berichtgeving goeddeels aan het Deutsche Nachrichtenbüro, het in Berlijn gevestigde persagentschap. Op 6 juni meldde De Telegraaf zakelijk: “dag D is aangebroken […] met het begin van de allerwegen verwachte gebeurtenissen.” De volgende dag citeerde De Telegraaf een militair woordvoerder die op een persconferentie in Berlijn de vergelijking met een voetbalwedstrijd maakte: “de gevechten [hebben] zich inmiddels zoodanig ontwikkeld, dat de partij vanavond minstens 2-1 voor Duitsland stond.”

De Telegraaf deed voornamelijk verslag van de militaire gebeurtenissen en benadrukte dat de Duitse legerleiding de aanval had verwacht en de verdedigers terdege waren voorbereid. Ditzelfde deed het Nationale Dagblad, een NSB-orgaan dat zijn nieuws ook van het Deutsche Nachrichtenbüro betrok. Op dinsdag 6 juni kopte het Nationale Dagblad in hoofdletters “Invasie thans begonnen?” Evenals de Duitse legerleiding twijfelde de redactie of de landingen op de Franse kust niet een schijnmanoeuvre waren. Toch, schreef het theatraal, “gaat het scherm op voor een van de meest dramatische bedrijven der oorlogsgeschiedenis. De Anglo-Amerikanen zijn thans als acteurs in het waarschijnlijk bloedigste drama op het West-Europeesche tooneel verschenen.”

Gewichtig sprak het Nationale Dagblad over “een landingsoperatie in grooten stijl” en “beslissende historische oogenblikken” waarin Europa’s “lot wordt gewogen.” De redactie berichtte verheugd dat de Duitse verdedigers over een “breed front een volledig afweersucces” hadden weten te boeken dankzij het “harde en bliksemsnelle ingrijpen van het garnizoen van den Atlantischen Wal.” In tegenstelling tot de realiteit op het slagveld maakte het Nationale Dagblad ook melding van “massale tegenaanvallen” en het uitschakelen van een complete luchtlandingsdivisie waarbij “niet één man kon ontkomen.” Triomfantelijk voegde de redactie daar aan toe dat drie Britse en Canadese bruggenhoofden ”na korten en harden strijd vernietigd werden.” In werkelijkheid waren de geallieerden aan het eind van dinsdag 6 juni enkele kilometers landinwaarts getrokken; juist de Canadezen waren het verst doorgedrongen.

Trouw aan haar ideologie drukte het Nationale Dagblad van woensdag 7 juni op de voorpagina de tekst af van een telegram dat Mussert aan Hitler had gestuurd. Al op de middag van de landingen had de NSB-leider aan de “Führer van geheel Europa” zijn steun betuigd: “Nu de invasie begonnen is, is het mij een behoefte, U mijn Führer, te zeggen dat alle Nederlandsche nationaal-socialisten in trouw en lotsverbondenheid op leven en dood aan Uw zijde staan.”

“de storm breekt los”
De NSB-krant Volk en Vaderland verscheen wekelijks op vrijdag en kon daardoor pas drie dagen na de invasie reageren. Op de voorpagina verscheen een beschouwing onder de titel “De storm breekt los.” Met de gebruikelijke nationaalsocialistische retoriek constateerde het partijorgaan dat “bolsjewisme en jodendom hun verblinde handlangers uitzonden om de oude wereld te vernietigen.” Hoe dat zou aflopen werd verderop in de krant verbeeld door een spotprent van Churchill en Roosevelt die zich “met den kop tegen den muur van beton” stootten. Volk en Vaderland verzekerde zijn lezers “dat in het Duitsche kamp een zucht van verlichting is opgegaan” want hierop waren hun strijdkrachten “sinds lang voorbereid.” Niettemin achtte de analist het “mogelijk maar niet waarschijnlijk dat de Duitsche afweersuccessen aanstonds zoo groot zullen zijn dat van een ontplooiing dezer invasieactie niets kan komen.”

De ideologische retoriek rolde nog scherper van de persen bij “De Zwarte Soldaat”, het weekblad voor de Weerafdeling der NSB. Met rode letters in een rood omrand kader sprak het blad van een aanslag op het “voortbestaan van het roemrijkste Noordsche cultuurgebied en diens bewoners.” Ontbrand was de strijd tegen “bolsjewistische verwording en chaos” en voor het “behoud van onze Avondlandsche cultuur.” Een week later lazen de abonnees een gedicht dat appelleerde aan hun antisemitisme en afkeer van burgerlijke moraal:

“Nu duizenden daar sterven, krepeeren aan het strand
Het hellevuur verterend in Frankrijk is ontbrand
Op last van het jodenvolk, uit naam der ‘Christ’lijkheid’
Lacht d’held hier in zijn vuistje en voelt zich reeds bevrijd”

Storm, het weekblad van de Nederlandse SS, schreef laatdunkend dat de geallieerden precies geland waren op de plek waar het Duitse leger “zich vier jaar lang op de worsteling heeft voorbereid,” met als gevolg dat de gesneuvelden rug aan rug liggend “thans Frankrijks rookende kust zoomen.” Het propagandablad concludeerde dat de invasie niet als een verrassing was gekomen: “Duitschland propageerde haar. De Sowjets begeerden haar. De joden eischten haar.”

Tekst: René Pottkamp