1 augustus 2016

Het NIOD heeft de brievencollectie ontvangen van Erika Lüschen. Zij werkte als administratief medewerkster in kamp Amersfoort. Na de oorlog ontving zij brieven van voormalig kampcommandant K.P. Berg, de beruchte bewaker J.J. Kotälla en haar geliefde Willem van der Neut.

Erika Lüschen met haar zoontje.

Oorlog en bezetting hadden grote invloed op het dagelijks leven. Families raakten ontwricht, gezinnen werden uiteen gerukt en ook na de bevrijding werden geliefden van elkaar gescheiden. Brieven van een veroordeelde oorlogsmisdadiger laten zien dat ook liefde troost kan bieden voor collaborateurs in gevangenschap.

“Behoud je moed, hoop, kracht en het geloof aan jullie gemeenschappelijke toekomst. Wees niet bezorgd want ook al slaat de twijfel soms toe, ze krijgen ons niet klein”. Deze bemoedigende woorden zijn gericht aan een jonge vrouw die met haar zesjarig zoontje wacht op de hereniging met haar geliefde die al jaren in de gevangenis zit.

Het is 26 augustus 1951, de briefschrijver is Joseph “Jupp” Kotälla, die zelf een straf uitzit wegens zware mishandelingen die hij  als bewaker op de gevangenen in kamp Amersfoort pleegde. De tegen hem geëiste doodstraf werd In december 1951 omgezet in levenslang: Kotälla zou de geschiedenis in gaan als één van de Vier van Breda. Tijdens zijn gevangenschap schreef deze Duitse oorlogsmisdadiger meerdere brieven aan Erika Lüschen, de jonge moeder die hij een hart onder de riem probeerde te steken. Erika was als eenentwintigjarige bij de administratie van kamp Amersfoort komen werken, waar zij de registratie van de gevangenen bijhield. Uit die periode dateert haar vriendschap met Kotälla; in zijn brieven informeert hij naar haar vader en zoontje, houdt haar op de hoogte van zijn gratieverzoek en schrijft over zijn echtgenote in Duitsland. Erika op haar beurt bezoekt Kotälla regelmatig en brengt hem pakjes etenswaren.

Na de oorlog houdt Erika met meerdere collega’s uit het kamp contact. In de zomer van 1949 brengt zij een bezoek aan de vrouw van Karl Peter Berg, de voormalig commandant van kamp Amersfoort. Per brief bedankt hij Erika voor haar steun en beklaagt hij zich over de tegen hem geëiste doodstraf: “Nicht Recht, sondern Vergeltung hat man an mir verübt!”.

Erika’s eigen geliefde, Willem van der Neut, zit ook vast wegens oorlogsmisdaden. Ook hij was een gevreesd bewaker in kamp Amersfoort die zelfs enige tijd deel uitmaakte van het vuurpeloton. Erika en Willem kregen een amoureuze relatie en in juni 1945 beviel zij van hun zoontje. Erika was toen geïnterneerd als politiek delinquent, in afwachting van haar veroordeling. De eerste jaren verbleef het zoontje bij Erika’s ouders in Soest. In de honderden brieven die Willem van der Neut tussen september 1946 en december 1952 aan Erika schreef, voeren eenzaamheid, verveling en hoop op gratie de boventoon. Reikhalzend kijkt hij uit naar de tweewekelijkse bezoeken van Erika en zijn zoontje, de lichtpuntjes in zijn eentonig bestaan. De lange zondagen komt hij door met lezen, schrijven en schaken: “Ik ben altijd weer blij als het maandag is en we weer kunnen werken, want dat is het beste middel om de tijd te verdrijven”, schrijft hij op 30 januari 1949.

Fragment uit een geïllustreerde brief die Willem van der Neut in zijn cel naar Erika Lüschen schreef. "zonder jou is het doods en leeg, alleen jij brengt de lente teweeg"
Fragment uit een geïllustreerde brief die Willem van der Neut aan Erika Lüschen schreef. "Zonder jou is het doods en leeg, alleen jij brengt de lente teweeg".

Wegens geldgebrek lukt het Erika niet altijd om op bezoek te komen of regelmatig een brief terug te sturen. Ondanks de teleurstelling hierover blijft Van der Neut tekeningen en gedichten voor haar maken en ondertekent hij zijn brieven consequent met “je liefhebbende Wil”. Ook Kotälla houdt bij haar de hoop levend op een spoedig weerzien met haar geliefde: “op een dag komt hij thuis en kunnen jullie samen aan je nestje bouwen”. Groot moet dan ook de klap zijn geweest voor Erika en haar zoontje dat Van der Neut uit de gevangenis ontsnapte en naar Duitsland uitweek. Samen met zes anderen wist hij tijdens een filmvoorstelling in de avond van Tweede Kerstdag 1952 op spectaculaire wijze te ontsnappen uit de Koepelgevangenis in Breda.

Vijf dagen eerder had hij zijn laatste brief aan Erika geschreven, gevuld met mijmeringen over kerstviering in huiselijke kring: “[…] het hart springt open als men in de toekomst ziet en zich dan die feestdagen in de kring die ons zo dierbaar is ziet zitten”. Verder gaf hij aanwijzingen voor een boek dat ze bij haar eerste bezoek in januari 1953 zou meebrengen: “Staan er nu platen of reproducties van naaktfiguren in dan wordt het niet toegelaten”. Op dat moment moet hij welhaast al geweten hebben van de op handen zijnde ontsnapping. In de brief laat hij zich er echter niet over uit: “Hoe de Kerstdagen hier verlopen weet ik nog niet want er is nog geen programma over uitgereikt”.

Voor zover bekend nam Van der Neut na zijn ontvluchting nooit meer contact op met Erika en hun zoontje.

De brieven aan Erika Lüschen zijn door haar zoon aan het NIOD geschonken. Ze worden bewaard in archief 517.