20 november 2015

‘Mag ik U dus verzoeken om deze boeteregeling, die gemaakt is om in normale tijden onwillige en gemakzuchtige erfpachters tot betaling te dwingen, voor deze abnormale omstandigheden – die voor mij force majeure deden ontstaan – iets soepeler te hanteren?’. Dit schreef I. Benninga aan de gemeente Amsterdam in 1947.

NIOD-onderzoekers Hinke Piersma en Jeroen Kemperman schreven in opdracht van de gemeente Amsterdam over het Amsterdams gemeentebeleid inzake het opleggen van achterstallige betalingen aan teruggekeerde Joden en plaatsten deze kwestie in een brede historische en maatschappelijke context. Vrijdag 20 november werden de resultaten van dit onderzoek gepresenteerd in Stadsarchief Amsterdam. Burgemeester Eberhard van der Laan ontving het eerste exemplaar van deze studie: Openstaande rekeningen. De gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel, 1940-1950.

Verwoeste huizen (in vermoedelijk de Joodse buurt) in Amsterdam - Beeldbank WO2 – NIOD – G.H. Krüger

De samenvatting

De woningen van Joodse huiseigenaren werden tijdens de Tweede Wereldoorlog in het kader van de anti-Joodse maatregelen onder beheer gesteld, en in veel gevallen verkocht aan ‘arische’ Nederlanders. Als gevolg van de toenemende economische ontwrichting en de massale vlucht van ‘foute’  Nederlanders (onder wie oorlogsbeheerders en oorlogskopers) in september 1944 (Dolle Dinsdag), waren aan het einde van de oorlog veel rekeningen onbetaald gebleven. De gemeente Amsterdam koos er voor om de financiële schade die hierdoor was ontstaan, op de oorspronkelijke eigenaren of hun nabestaanden te verhalen. Het gold zowel voor de erfpachtcanon als onroerendzaakbelastingen als straatgeld en brandverzekering.

Bovendien hief de gemeente Amsterdam een boete voor te laat betaalde erfpachtcanon. Deze boete is achteraf bezien onbegrijpelijk, temeer omdat deze strafmaatregel tegen het advies van de gemeenteadvocaat inging. Hij wees op de toepassingsmogelijkheid van het leerstuk van overmacht op de betalingsverplichting en meende dat dit een argument was om van de boeteheffing af te zien. De gemeente is willens en wetens van dit advies afgeweken, hetgeen niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een onnodige hardheid ten aanzien van Joodse erfpachters die tijdens de oorlog van hun bezit waren beroofd.

Behoudens de oplegging van een boete voor te laat betaalde erfpachtcanon week het invorderingsbeleid van de gemeente Amsterdam inzake onbetaalde rekeningen niet wezenlijk af van dat van andere gemeenten  die in dit onderzoek zijn onderzocht. De lokale overheden waren, in navolging van de landelijke overheid, van mening dat de aan de Joodse gemeenschap toegebrachte schade niet door de Nederlandse autoriteiten, maar door toedoen van de Duitse bezetter was ontstaan. Daarnaast beriepen de lokale overheden zich op de Nederlandse herstelwetgeving. Hierin was bepaald dat alle anti-Joodse maatregelen na de bevrijding in 1945 met terugwerkende kracht nietig waren. Joodse huiseigenaren waren derhalve ook tijdens de bezetting formeel eigenaar gebleven.

Was het in Amsterdam de boete over de te laat betaalde erfpachtcanon die leidde tot protesten, in Den Haag betrof de verontwaardiging vooral de heffing van straatgeld. Het invorderingsbeleid leidde tot conflicten die tot aan de Hoge Raad werden uitgevochten. Van een heroverweging van het beleid is echter ondanks de protesten nooit sprake geweest. Een aantal oorzaken ligt hieraan ten grondslag.

  1. De gemeenten voelden zich niet verantwoordelijk voor de financiële schade die als gevolg van de ontrechting van de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog was ontstaan.
  2. Zowel Amsterdam als Den Haag kampte met een ernstig tekort op de begroting als gevolg waarvan het beleid werd bepaald door financieel-economische overwegingen. De gevolgen van de deportaties van Joden werd binnen het raamwerk van de consequenties voor de gemeentekas bediscussieerd.
  3. De nationale maatregelen die werden genomen om een einde te maken aan de ontrechting (d.w.z. de Nederlandse herstelwetgeving) stonden in dienst van de economische wederopbouw. Daarbij werd meer belang gehecht aan het collectief dan aan het individu. Dit nationale beleid werd in grote lijnen door de lokale overheden gevolgd.
  4. De gemeenten werden in de uitvoering van hun beleid niet gehinderd door een breed gedragen maatschappelijk verzet. De verontwaardiging over de heffingen bleef binnen de muren van gemeentehuizen, advocatenkantoren en gerechtsgebouwen.
  5. De Joodse oorlogsslachtoffers aarzelden om aan hun verontwaardiging publieke ruchtbaarheid te geven. De communis opinio luidde dat zij dankbaar moesten zijn dat ze de oorlog hadden overleefd. Er heerste binnen de Joodse gemeenschap dan ook het besef dat openlijk verzet wel eens een averechts effect zou kunnen hebben.

Dat wil niet zeggen dat er geen twijfels en discussies waren. Maar met de overtuiging dat de aan de Joodse gemeenschap toegebrachte schade niet door toedoen van het Nederlandse bestuur was ontstaan, en het nationaal gedragen wederopbouwethos, waarbij de klemtoon lag op het collectief, meenden zowel de landelijke als de lokale overheid een krachtige rechtvaardiging van haar beleid in handen te hebben. Zoals de Nederlandse regering besloot geen onderscheid te maken in de opvang tussen Joodse en niet-Joodse oorlogsslachtoffers, zo troffen ook de lokale overheden geen speciale voorzieningen voor de extra zwaar getroffen Joodse bevolkingsgroep.