21 juni 2013

Het nieuwe Rijksmuseum wil de wereld onthalen in een mooi gerestaureerd gebouw met parels van kunst. Maar het biedt een naar binnen gericht, jubelend beeld van Nederland en zijn koloniaal verleden. Dat is typisch voor een land en een tijd waarin de behoefte aan nationale zekerheden alles lijkt te overstemmen, en daarom des te verontrustender voor een gezaghebbend instituut met internationale allure.

Rijksmuseum anno 1895

Het zal niet zo bedoeld zijn, maar het museum heeft het herstel van Cuypers’ architectonisch concept en de integratie van kunst en geschiedenis zo onbezonnen doorgevoerd, dat het zich nu lijkt te wentelen in het culturele nationalisme van Cuypers’ tijd.

De Amerikaanse kunstcriticus Peter Schjeldahl noemde het resultaat onlangs ‘anti-ironic nostalgia’. Zijn steen des aanstoots is de centrale hal met zijn glas-in-loodramen en historische muurschilderingen, die toegang biedt tot de eregalerij met schilderkunst van de Gouden Eeuw. En inderdaad, bij afwezigheid van kritische reflectie op deze reconstructie spiegelt het museum de bezoeker hier een 19e-eeuws opgesmukt nationaal verleden voor waarbij alles draait om ‘ontzag’: de geschiedenis van de grote mannen, Rembrandt voorop, en het idee van een natie die alleen maar goed kan doen. Dit onbezonnen nostalgische kader is al zorgwekkend, de vraag is echter ook hoe de integratie van geschiedenis en kunst heeft uitgepakt. Wij bekeken dit voor de koloniale opstellingen, die een belangrijke verbinding zouden moeten vormen met de wereld buiten Nederland.

Tot in de jaren negentig van de vorige eeuw werd kolonialisme veelal als eenrichtingsverkeer – met het moederland als startpunt – beschouwd. Sindsdien gaat het vaker om de wisselwerking tussen kolonie en moederland. Ook is er, in het geval van Nederlands-Indië, meer oog voor inter-Aziatische vormen van uitwisseling, die laten zien dat kolonialisme niet allesbepalend was. De koloniale staten blijken minder scherp begrensd, en lokale maatschappijen dynamischer en complexer dan veel Europeanen destijds waarnamen. Wat zien we hiervan terug?

Het museum heeft duidelijk zijn best gedaan pijnpunten van het Nederlandse kolonialisme zichtbaar te maken. Zo kan het de bezoeker in de 19e-eeuwse opstelling niet ontgaan dat sommige objecten met geweld in Nederlandse handen kwamen (de diamant van Bandjermasin, het Atjehse schild, de Lombokschat) en dat Nederland vuile handel dreef (opium). Maar diezelfde bezoeker krijgt evengoed de blijde boodschap mee dat Nederland een ondernemende natie was, waarin mannen hun ‘vleugels’ uitsloegen in de wijde wereld. Ook ziet hij hoe het succesvol bestuursstructuren ontwikkelde waaraan lokale hoofden zich – na aanvankelijke tegenstand – met grootse giften ‘onderwierpen’ (de lansen voor gouverneur-generaal Baud). Het zijn prachtige objecten, maar zo beperkt van commentaar voorzien als nu het geval is, ongeschikt om andere dan Nederlandse perspectieven op het kolonialisme recht te doen.

De collectie kunst uit Azië, in de fraaie nieuwbouw die al bekend staat als ‘het juwelendoosje’, toont een vergelijkbaar probleem. Indonesië, waarvan de bevolking zeker sinds de zestiende eeuw overwegend islamitisch is, wordt hier tentoongesteld als een Boeddhistisch-Hindoeïstische cultuur met een oorsprong in India. Meer nadruk op de collectiegeschiedenis zou deze voorstelling van zaken alsook de aanwezigheid van Javaanse tempelfragmenten in Nederland kunnen verduidelijken als een typische exponent van koloniale verhoudingen.

Ronduit bizar is de opstelling over de twintigste eeuw. De enkele dingen die verbonden zijn aan koloniale geschiedenis staan op zichzelf. Zo vormen de gipsen afgietsels van gezichten van inwoners van het eiland Nias een artistieke installatie. Het koloniale kader, de machtsverhoudingen waarbinnen de maskers gemaakt werden, en de consequenties lijken er niet toe te doen. De dekolonisatie zelf wordt wel genoemd, maar iedere visuele of materiële verwijzing ontbreekt. Hier lag bij uitstek een kans om Indonesische perspectieven op dit proces zichtbaar te maken, met revolutionaire kunst, of desnoods met de messteken in het staatsieportret van Wilhelmina, dat, tot 1962, tot de inventaris behoorde van het Hoge Commissariaat in Jakarta.

De collectie schiet duidelijk te kort om de zo ingrijpende dekolonisatie te verbeelden. Niet verbazingwekkend. De beeldtaal van het museum, stammend uit de 19e eeuw, valt stil bij aspecten van het verleden die niet passen in het zelfbeeld van klein land dat de wereld bestormt.

Vaak wordt er gedacht dat een kritische blik op nationale, en vooral koloniale geschiedenis leidt tot het centraal stellen van zwarte bladzijdes, restituties of morele zelfkastijding. Wij dagen het Rijksmuseum uit iets anders te doen. Laat zien hoe Nederland nu, en in koloniale tijden, deel uitmaakt van een complexe wereld, die weliswaar de behoefte doet ontstaan aan ‘nationale’ zekerheden maar uiteindelijk vooral baat heeft bij een combinatie van nieuwsgierigheid, zelfreflectie en ruimte voor anderen. Het museum nodigt daar nota bene zelf toe uit, door zijn architectuur, collectie én geschiedenis.

Marieke Bloembergen, Henk Schulte Nordholt (beide KITLV) en Martijn Eickhoff. Zij werken gezamelijk aan het onderzoeksprogramma: Sites, Bodies and Stories: The Dynamics of Heritage Formation in Colonial and Postcolonial Indonesia and the Netherlands

©NRC Handelsblad, 15 juni 2013