Huwelijken van Europeanen in Nederlands-Indië en Indonesië 1920-1958.  Proefschrift.

Het onderwerp van deze studie is huwelijken van Europeanen in Nederlands-Indië en Indonesië in de periode 1920–1958 met als centrale vraag hoe deze huwelijken waren vervlochten met het koloniale bestel. In deze dissertatie heeft Buchheim aan de hand van persoonlijke documenten onderzocht hoe deze huwelijken opereerden in Nederlands- Indië. Haar hypothese is dat er een directe wisselwerking
bestaat tussen koloniale huwelijken en het koloniale bestel, in het bijzonder in Nederlands-Indie; huwelijken en bestel zijn van elkaar afhankelijk.

Huwelijken van Europeanen in de kolonie Nederlands-Indië tussen de jaren 20 en 50 van de twintigste eeuw noemt Buchheim koloniale huwelijken. Zij gaat bij de notie koloniaal bestel uit van een voortdurende interactie tussen de koloniale staat en de instituties, ideeën en relaties die het proces van kolonisatie vormgaven, bestendigden en (re)produceerden. Dit was in hoge mate afhankelijk van toeval en persoonlijk initiatief. Een huwelijk, de wettelijke samenleving tussen een man en een vrouw, is een formele juridische verbintenis. Mensen huwen om uiteenlopende motieven en elke intieme relatie kent binnen de grenzen van het instituut haar eigen bijzonderheden. In Nederlands- Indië werkten mannen en vrouwen samen aan de koloniale onderneming. Europese mannen waren verantwoordelijk voor het politieke en economische reilen en zeilen, vrouwen leverden de belangrijkste bijdrage in gezin en huishouden. Zowel de zichtbaarheid van Europese mannen en vrouwen als de mate waarin het koloniale huishouden publiek was, had als gevolg dat de rol van huwelijken in de kolonie een veel bredere betekenis had dan in het moederland Dat gold ook voor de positie van vrouwen, zij leverden in de kolonie en binnen koloniale huwelijken een specifieke bijdrage.

De relaties tussen individuele echtelieden en het koloniale bestel en omgekeerd vonden plaats op allerlei manieren. Buchheim heeft vooral gekeken naar de keuze voor huwelijkspartners; het verschil tussen gemengde en onderlinge huwelijken; scheiden in de kolonie; de heersende seksuele mores in verschillende tijdvakken; de invloed van de koloniale overheid en werkgevers op huwelijken;  veranderingen in sekseverhoudingen als gevolg van de gedwongen scheiding van gezinnen en echtparen. Onderzoek naar huwelijken, intimiteit en familie in een koloniale context op basis van egodocumenten is voor Nederlands-Indië gedeeltelijk nog onontgonnen terrein. Haar onderzoeksstrategieën zijn voor een deel geïnspireerd op de Brits-Indiase historiografie. Persoonlijk materiaal is een belangrijke aanvulling op informatie uit koloniale archieven of door het koloniale discours geinspireerde teksten. Koloniale ideologieën drongen op talloze manieren het dagelijks leven binnen. Egodocumenten zijn het fundament onder dit onderzoek. Persoonlijke mondelinge en schriftelijke bronnen zijn de teksten waaruit we het dagelijkse koloniale leven kunnen destilleren. Deze informatie van het micro-niveau, die nog steeds te weinig aan de orde komt in wetenschappelijk onderzoek, is noodzakelijk om zicht te krijgen op de dagelijkse koloniale praktijk en daarmee op de achterliggende ideologie. De eerste helft van de twintigste eeuw was een periode met grote geopolitieke, economische, culturele en sociale wijzigingen.

Dit proefschrift is verdeeld in 5 tijdvakken; 1920–1940; 1940–1945; 1945; 1945–1949 en 1949–1958. Deze tijdvakken ziet Buchheim als een continuüm waarin op een aantal momenten cruciale gebeurtenissen plaatsvonden die voor grote verandering zorgden. Buchheim toont aan dat er sprake was van een samenhang tussen huwelijken en het bestel. Dit werd vooral duidelijk op momenten waarin de relatie onder spanning stond. Voor de Europese bewoners van de kolonie was de Japanse bezetting en de daarop volgende Indonesische revolutie de verandering die de diepste sporen naliet.

In hoofdstuk 1 Orde en controle 1920–1940 laat zij zien hoe in koloniale huishoudens en koloniale huwelijken orde, controle en Europese superioriteit werden gewaarborgd. Buchheim illustreert hoe koloniale huwelijken in fictie werden verbeeld en hoe de dagelijkse realiteit in deze periode verliep. De positie van vrouwen krijgt extra aandacht en aan de hand van van initiatieven rondom de mobilisatie wordt duidelijk hoe vrouwen hun werkterrein steeds verder uitbreidden.

Hoofdstuk 2, Oorlog en Scheiding 1940–1945 behandelt de Tweede Wereldoorlog en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië. Het belangrijkste thema is de invloed die bezetting en gedwongen scheiding hadden op koloniale huwelijken en op het koloniale bestel. Op het moment dat de koloniale onderneming instortte, nam zij huwelijken in haar val mee.

Hoofdstuk 3, De hereniging 1945, laat zien wat er met Nederlands-Indië en koloniale huwelijken gebeurde vanaf het einde van de Japanse bezetting. Het koloniale leven en de positie van
Europeanen bleek voorgoed veranderd te zijn. Bestaande zekerheden waren omver geworpen en persoonlijke, politieke en sociale verhoudingen werden opnieuw gedefinieerd. Veranderingen vonden tegelijkertijd plaats op verschillende niveaus.

Hoofdstuk 4, De strijd om de macht 1945–1949, beschrijft de turbulente naoorlogse jaren die werden gekenmerkt door een machtstrijd op politiek en persoonlijk terrein. De samenstelling van de Europese bevolkingsgroep veranderde grondig. Een grote groep met de Nederlandse nationaliteit koos ervoor naar Nederland te vertrekken. Vanuit Nederland gingen aanzienlijke aantallen militairen naar de kolonie met als doel het spoedige herstel van de koloniale orde. Ondanks vele ingrijpende veranderingen bleef de koloniale mentaliteit voortbestaan. Pas na een langdurige strijd droeg Nederland in december 1949 de soevereiniteit over aan Indonesië.

Hoofdstuk 5, Huwelijk en dekolonisatie 1949–1958, beschrijft de wederwaardigheden van koloniale huwelijken in het onafhankelijke Indonesië. Hoewel de politieke spanningen tussen Nederland en Indonesië steeds verder opliepen, leek in de dagelijkse praktijk van Europeanen veel bij het oude gebleven. Buchheim illustreert dit aan de continuering van de invloed van werkgevers op het privéleven en de status van de ingelijfde echtgenote. Met de uitwijzing van de meeste Europeanen in 1957/1958 hielden koloniale huwelijken definitief op te bestaan.

Plaats van uitgave: 
Amsterdam
Jaar van uitgave: 
2009