Achtergrond: de Rwandese genocide

De Rwandese genocide van 1994 was onder meer het gevolg van economische crisis, burgeroorlog,  bevolkingsgroei en strijd om de macht in het land. Juvénal Habyarimana, de toenmalige president, had na langdurig tegenstribbelen besloten de Arusha-akkoorden uit te voeren om een eind te maken aan de crisis en de burgeroorlog,  die was begonnen toen de gewapende vleugel van het Rwandees Patriottisch Front (RPF) in de herfst van 1990 vanuit Oeganda was binnengevallen.

Het RPF bestond vooral uit vroegere Tutsi-vluchtelingen, een groep waarmee de partij van Habyarimana (de MRND) noodgedwongen compromissen had gesloten. Op 6 april was hij met het vliegtuig op weg naar Rwanda na onderhandelingen  in Dar es Salaam, in Tanzania. Zijn vliegtuig werd tijdens de landing neergeschoten en de president en enkele andere hoge officials kwamen om. Nadat de dood van de president was bekendgemaakt, brak de hel los in Rwanda. Een groep hoge militaire leiders greep de macht. Vrijwel meteen begonnen er georganiseerde slachtpartijen van Tutsi’s en gematigde Hutu’s, onder leiding van het leger en twee jeugdmilities, de Interahamwe en de Impuzamugambi.

Het was voor de buitenwereld niet meteen duidelijk  wat er precies gaande was. De nieuwsbeelden toonden lange rijen mensen die met al hun huisraad het land ontvluchtten. Sjofel geklede jongemannen riepen ‘Macht aan de Hutu’s!’, zwaaiden met machetes of schoten met grote vuurwapens in de lucht. Stapels lijken lagen langs de wegen en in greppels, maar de waarnemingen en analyses van de media waren niet erg helder. Ze hadden het over de Hutu’s en de Tutsi’s; de Amerikaanse president Bill Clinton noemde het een stammenconflict en bevestigde zo de vooroordelen  over Afrika.

Het hele hoofdstuk over de Rwandese genocide in de NIOD-uitgave De Holocaust en andere genociden is te lezen via onderstaande link.

Arusha Accords, front right Habyarimana, August 4, 1993
Interahamwe, 1993