In het onderzoek onder de titel Grenzen aan het dienstbevel. Het verzet van de Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog luidt de centrale vraag onder welke omstandigheden en op welk moment individuele politiemensen meenden dat (morele) grenzen werden overschreden en enigerlei vorm van verzet noodzakelijk was.

NSB-politie-inspecteur Leduc wordt gearresteerd door collega´s in dienst van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). (mei 1945)

Onderzoeker: Hinke Piersma
Onderzoeksassisent: Lauren Heida
Looptijd: 2016-2018
Beoogde publicatie: boek

Hieraan gekoppeld zijn de vervolgvragen

  • In hoeverre de verschillende rollen (verzet en aanpassing) naast elkaar konden bestaan.
  • Op welk punt politiemensen zich gedwongen zagen zich te herbezinnen op hun rol en bereid waren de consequenties hiervan te dragen door bijvoorbeeld ondergronds te gaan en de organisatie de rug toe te keren.

De vragen zullen in samenhang worden bestudeerd waarbij zal worden gekeken hoe de persoonlijke morele waarden en normen van politiemensen zich verhielden tot wat in de beroepsgroep gold als professionaliteit, beroepsethiek en beroepseer. Zeker op het uitvoerende niveau, had de politieman van toen zich strakker dan tegenwoordig te richten naar ‘hogerhand’. Daarbij waren denken in termen van ordehandhaving en de zorg om de openbare orde van oudsher belangrijke drijfveren voor de uitoefening van het vak.

Grenzen aan het dienstbevel wordt uitgevoerd in opdracht van de Nationale Politie. Het onderzoek wil bijdragen aan een gelaagdere beeldvorming over de Nederlandse politie in oorlogstijd. Dominant is  in de geschiedschrijving het beeld dat de politie massaal zijn medewerking verleende aan de Duitse bezettingsmaatregelen. Daarbij is de blik grotendeels gericht op de politie als organisatie. Als er al aandacht wordt besteed aan het optreden van individuele politiemensen, gaat het vooral om (extreme) vormen van collaboratie.

Er zijn echter tal van individuele politiemensen geweest die onopvallend ‘stil’ verzet pleegden, terwijl ze tegelijkertijd met de bezetter samenwerkten. Deze politiemensen zochten in elke nieuwe situatie steeds opnieuw naar wat voor hen de juiste verhouding was tussen meebuigen en verzet. Iedere keer gold de vraag of men zich naar de nieuwe situatie wilde, kon of moest voegen. In specifieke gevallen werden politiemensen geconfronteerd met ingewikkelde dilemma's (is het mogelijk om iemand te laten ontsnappen; kan ik weigeren mee te werken aan deze arrestatie; is er nog tijd om iemand te waarschuwen?).

Deze dilemma’s werden groter door de Duitse reorganisatie van de Nederlandse politie en het proces van nazificatie dat de gemeentepolitie vanaf 1942 (vooral in grotere korpsen) doormaakte. De mate waarin een korps gedomineerd werd door NSB'ers was van grote invloed op de bewegingsruimte voor verzet en tegenwerking.

In dit onderzoek zal worden onderzocht hoe deze factoren zich tot elkaar verhielden. Hoe reageerden politiemensen op wat een tegenstrijdig proces geweest lijkt te zijn? Enerzijds werden zij steeds meer een verlengstuk van de Duitse vervolging en was er voor anti-Duitse politiemensen derhalve steeds meer reden om zich te verzetten. Anderzijds werd het, wanneer men in dienst bleef, steeds moeilijker om de bezetter echt tegen te werken. In het bezette Nederland bevonden politiemensen zich in een bij uitstek lastige spagaat tussen institutionele collaboratie en persoonlijk verzet.

Het onderzoek sluit aan bij het NIOD onderzoeksprogramma Heel gewoon of juist bijzonder? Nieuwe visies op ‘het verzet’ tijdens de Duitse bezetting van Nederland 1940-1945.